- Tsjechië -
Tsjechië is misschien wel het best bewaarde wandelgeheim van Midden-Europa. Zandstenen rotssteden, eindeloze bossen, stille veengebieden en glooiende wijngaarden — en overal een bewegwijzering waar je nooit een kaart voor nodig lijkt te hebben.
Een land dat voor wandelaars gemaakt lijkt
Wie voor het eerst in Tsjechië wandelt, valt vrijwel altijd over hetzelfde: de paden kloppen. Al sinds 1891 onderhoudt de Klub českých turistů, de Tsjechische wandelvereniging, een netwerk van tienduizenden kilometers bewegwijzerd pad. De markeringen bestaan uit horizontale kleurstrepen tussen twee witte strepen: rood voor de grote langeafstandsroutes, blauw voor verbindingen tussen belangrijke bestemmingen, groen en geel voor lokale en kortere routes. Je vindt ze op bomen, rotsen, lantaarnpalen en zelfs midden in dorpen, en op kruispunten staan gele wegwijzers met looptijden in plaats van afstanden.
Daar komt bij dat Tsjechië betaalbaar is gebleven. Een overnachting in een pension, een stevige maaltijd in een berghut en een kaartje voor de bus kosten er een stuk minder dan in de Alpen. En je hebt de paden vaak voor jezelf.
Drie regio's om mee te beginnen
Zuid-Bohemen
In het zuiden ligt Nationaal Park Šumava, het grootste van het land en samen met het aangrenzende Beierse Woud een van de grootste aaneengesloten bosgebieden van Europa. Verwacht lange dagen door dicht bos, vlonderpaden over hoogveen, gletsjermeren en een netwerk van middeleeuwse visvijvers. Hier lopen ook de meerdaagse klassiekers: de Lužnice Valley Trail langs de rivier en de Goldsteig over eeuwenoude zoutroutes. Tussendoor kom je langs kastelen en door Český Krumlov, dat op de UNESCO-lijst staat.
Boheems Zwitserland
Het jongste nationale park van Tsjechië, net over de Duitse grens, is het meest spectaculaire. Een oude zeebodem veranderde hier in dikke lagen zandsteen, die door water en vorst zijn uitgesleten tot kloven, torens en rotssteden. Het hoogtepunt is de Pravčická brána, de grootste natuurlijke rotsboog van Europa. De routes zijn kort maar pittig, met veel trappen en klimwerk. Het gebied sluit aan op het Duitse Saksisch Zwitserland, dus je stapt zo de grens over.
Zuid-Moravië
De zonnigste hoek van het land, tegen Oostenrijk aan, is vooral wijnland. Je wandelt hier dagtochten van tien tot vijftien kilometer door het rotsachtige Pálava, het karstgebied met zijn druipsteengrotten of het kleine Nationaal Park Podyjí, waar de Dyje een diepe vallei heeft uitgesleten. Het landschap is zachter dan in Bohemen en de dagen zijn goed te combineren met een wijnkelder, een kasteel of een avond in Brno.
Wat je onderweg kunt verwachten
Overnachten doe je in pensions, kleine hotels of berghutten; in de nationale parken zijn dorpen als Děčín, Jetřichovice, Kvilda en Pavlov prettige uitvalsbases. Onderweg kom je geregeld een hospoda of bufet tegen voor soep, knoedels en een glas van het plaatselijke bier. Reken op goed gemarkeerde maar soms ruwe paden: in de zandsteengebieden klim je over trappen en door spleten, in Šumava loop je kilometers vlak door het bos.
Je hoeft er geen auto voor te huren. Praag is per nachttrein bereikbaar en Děčín, de poort naar Boheems Zwitserland, ligt op slechts 800 kilometer van Nederland. Vanaf de stations rijden bussen tot in de parken, en wie in de streek overnacht reist in sommige regio's zelfs gratis met het openbaar vervoer.
De beste tijd om te gaan
Mei en juni zijn het mooist: de bloemrijke graslanden van de Witte Karpaten staan dan op hun best en de bossen zijn fris. September en oktober geven herfstkleuren en lege paden. In de zomervakantie kan het bij de bekende hoogtepunten druk zijn — ga daar vroeg in de ochtend of in de namiddag heen. In de winter verandert Šumava in langlaufgebied.
💡 Handige tip
Gratis informatiepakketten over de Tsjechische wandelregio's vraag je aan via
Zin in meer?
Ontdek de wandelregio's van Tsjechië en plan je volgende tocht door bossen, rotssteden en wijngaarden.
visitczechia.com